Neefje (3) in de dierentuin:
“Een zeehondje!” (een kameel).
“Een zeepaardje!” (een kameel).
“Die giraf was wel zooo groot (armen zo ver mogelijk uit elkaar) en er was een baby…”.
“Paarden in pyama’s! (zebra’s).
“Hij gaat dood!” (kameel deed kop in de nek).

Schoonzus:
“wie doet dat nou? Een visleeft?” (facelift).

Mutti:
“ik heb theezakjes”.
“Ik dacht dat als je borstvoeding gaf en je er in kneep, het zo eruit spoot, als een koe, maar dat was niet zo.”

E.: “nou als ik of J. voor de trein zou springen, dan zou er toch een deuk in de trein komen!”
?: “ik denk dat die terug veert…”.